Waterspelletjes

Spelletjes voor warme dagen

Bij warm weer zijn waterspelletjes lekker verfrissend. Bedenk wel dat sommige kinderen al snel heetgebakerd zijn, laat staan met heel warm weer. Vermijd dus als het kan het competitiegevoel en zorg voor genoeg afwisseling tussen drukke en rustige spelletjes. Zorg voor reserve materiaal.

Om competitie uit te schakelen, kan je ieder gewoon naar elkaar laten gooien en ieder mag elke gegooide spons oprapen, opnieuw nat maken en weer gooien. Dit spel is natuurlijk ook te spelen in tweetallen naar elkaar of in twee partijen (zoals bij trefbal).

Zet één emmer bij de start en één emmer op het eind. Ieder team verdeeld zijn spelers over het parcours. De spons wordt steeds een teamspeler verder gegooid en de laatste knijpt hem leeg boven een emmer en de spons wordt op dezelfde manier weer terug gegooid. Volle en legen sponzen kunnen elkaar dus onderweg weer ontmoeten.

Bij het startpunt staat een volle emmer, op het einde een grote beker met een pingpongballetje erin. De eerste teamspelers lopen met een bekertje water naar het eindpunt en legen het bekertje in de pot met pingpongballetje. Ze brengen het lege bekertje naar speler twee en die doen hetzelfde, net zo lang tot het pingpongballetje zo hoog is gestegen dat het uit de pot drijft.

De kinderen zitten in spreidstand achter elkaar met voor zich een emmer water en achteraan de rij een lege emmer. De eerste teamspelers vullen het bakje met water en geven het boven het hoofd door aan de volgende. De laatste speler leegt het bakje in de emmer. Na één minuut stopt het spel en wordt er gekeken in wiens emmer het meeste water zit.

Elk kind krijgt 2 minuten de tijd om zoveel mogelijk balletjes eraf te schieten. Kan ook gespeeld worden met DUPLO-poppetjes op een smal plankje.

Elk kind krijgt 1 minuut de tijd om het kaarsje te doven.

Het spel gaat net als bij gewoon tikkertje, alleen tik je niet met de hand maar met een natte spons.

Ieder mag de fles van een medespeler omschoppen met de voetbal. Je moet je omgevallen fles zo snel mogelijk weer overeind zetten. Als één fles leeg is ( tot het streepje dat er op aangegeven is, want de fles raakt nooit helemaal leeg), is het spel voorbij en wordt er gekeken wie nog het meeste water over heeft.

2 personen draaien het touw. Elke speler moet 5 keer springen. Als iedereen is geweest wordt er gekeken wie nog het meeste water over heeft.

Elke speler verzint een dier dat in het water thuis hoort. De spelleider controleert of geen twee kinderen het zelfde dier hebben gekozen. Eén kind komt voor de groep staan en alle andere kinderen mogen om de beurt een vraag stellen om er achter te komen welk dier hij/zij heeft gekozen.

Leg het ei in de doorzichtige pot met water. Laat zien dat het ei naar de bodem zakt. Haal het ei er weer uit. Zeg een paar toverspreuken, laat een kind op het ei blazen, strooi stiekem een hand zout in het water, draai de pot een paar keer rond. Leg het ei er opnieuw in. Het ei zal naar het oppervlak stijgen. Eventueel wat water langzaam langs de rand van de pot bijschenken om het stijgen te bevorderen (pot van ongeveer 15 cm doorsnee= ongeveer een halve liter water= een flinke hand zout).