Verjaardagspelletjes

Met verjaardagen is het helemaal uit geraakt om gewoon thuis een kinderverjaardag te vieren met spelletjes. Wilt u eens wat anders met een kinderverjaardag dan bowlen, zwemmen, midgetgolf, film, lasergamen of een binnenspeelpaleis? Het soort spelletjes zoals hieronder, zijn meestal ook wel aan te passen aan een bepaald thema, zodat je er een elfen-, zeerovers- of speurdersfeestje van kan maken.

Een kind wordt aangewezen als de blinde zeeman (blinddoek om). Daarna vertel je het volgende verhaal:De blinde zeeman was eens een zeeman die kon zien en sterk en slim was. Hij had een heleboel schepen aangevallen en zo heel veel kostbaarheden gestolen. Hij had een hele schatkist vol. Maar op een keer werd hij getroffen door een kogel: hij bleef wel leven, maar hij was blind geworden. Nu zit hij op een onbewoond eiland en doet zijn uiterste best om zijn schat te verdedigen. ( de schatkist met gouden munten staat tussen zijn gespreide benen) Hij kan de aanvallers niet zien en luistert daarom heel goed of hij een dief hoort aankomen. Als hij er een hoort dan schiet hij. Hij heeft echter maar 3 kogels (3 schuimrubber balletjes). Als hij die verbruikt heeft kan de dief 1 munt komen stelen uit de schatkist.

Let op:
- De spelleider wijst 1 kind aan dat de zeerover gaat besluipen.
- Als de andere kinderen lawaai maken is de lol van het spel weg.
- De andere kinderen mogen de ballen niet gaan oprapen tijdens het spel.
- Sommige sluipers maken expres lawaai zodat de zeerover snel zijn kogels kwijtraakt dat lijkt wel leuk,
maar als een kind dat blijft herhalen kun je het spel niet meer spelen.

Vertel aan de kinderen het volgende: Een kadootje is ingepakt in steeds een nieuw papier met plakband, lintjes, touwtjes, elastiekjes enz. Het werkelijke kadootje is maar klein en op het echte kadootje (+ papier) staat “YES”.

Met een grote dobbelsteen gooien de kinderen om de beurt. Wie 6 gooit mag beginnen met uitpakken. Maar ondertussen gaat het dobbelen door. De volgende die 6 gooit neemt het kadootje direct over en gaat verder uitpakken. Zo gaat het door tot een kind bij het woordje “YES” komt. Dan mag dit kind het rustig verder uitpakken en stopt het spel.

Let op:
- Leg de kinderen van te voren goed uit dat er dus maar 1 kind een kadootje krijgt.
- Let als spelleider goed op dat de dobbelsteen verder gaat en er in de kring gegooid blijft worden.
- Zorg ervoor dat het kadootje weer afgestaan wordt.

Je start de volgende uitleg. De politie is op zoek naar een sluipmoordenaar. Maar de politie heeft hulp nodig van de kinderen. De politie vertelt dat de moordenaar een geheimzinnige moordenaar is. Hij vermoord mensen niet met een pistool of zo, maar met een knipoog. De moordenaar doet het zo voorzichtig dat niemand het ziet; alleen als je heel stil bent en goed kijkt kun je hem ontdekken.

Na dit verhaal doe je lootjes in een pet/doos/pot. Je laat zien dat het lootjes zijn met alleen maar een stip en 1 lootje met een knipoog. De gene die de knipoog trekt is de moordenaar. Hij gaat proberen iedereen te doden met een knipoog, zonder dat de anderen het kunnen zien. Hij moet dus rustig zijn kans afwachten tot er niemand anders naar hem kijkt dan 1 persoon, die hij dan kan doden. Degene die een knipoog ziet, mag niets zeggen, maar moet voor dood onderuitzakken en daarna met zijn armen over elkaar gaan zitten als teken dat hij af is. Als iemand anders heeft gezien wie de moordenaar is, mag hij het zeggen, maar hij is wel af als het niet klopt. Dan gaat de spelronde verder zonder hem.

Let op:
- De lootjes mogen niet gezien worden  en je mag niets op je gezicht laten zien of je nu wel of niet de knipoog hebt.
- De lootjes moeten direct weer in de pet/doos terug gedaan worden.
- Let op of degene die de moordenaar wil gaan verraden, niet zelf gedood werd door een knipoog.
- Kinderen kunnen de stilte wel eens eng vinden, maar als je zelf het zwijgende voorbeeld geeft.
en alleen wat “mimiekt” dan gaan de kinderen er wel in mee.

Op 2 identieke stoelen hangen 2 overhemden, 2 sjaals en 2 petten. En er zijn 2 ballonnen die even groot zijn opgeblazen.

Het wordt een wedstrijd per 2 kinderen , maar voor de andere kinderen is het leuk om toe te kijken en aan te moedigen. Op het startsein gooien de 2 kinderen ieder hun ballon in de lucht en ze moeten hem hoog houden terwijl ze het overhemd, de sjaal en de pet aantrekken/opzetten. Degene die het eerste alle kleding aanheeft met de ballon in de lucht is de winnaar. Valt de ballon dan mag hij gewoon opnieuw in de lucht gebracht worden; dat levert namelijk zoveel tijdverlies dat het laten vallen van de ballon zichzelf straft.

Op een stoeltje hangt klaar: een overhemd, een sjaal en een pet. Op een tafeltje ( met stoeltje) staat een bordje, mes, vork en een stuk cake (zoete koek, taaitaaipop of dunne reep chocolade) je houd zelf nog een extra stuk cake achter de hand.

De cake of zoete koek is al een klein beetje voorgesneden in ongeveer 6 hapjes.

Een grote dobbelsteen gaat de kring rond. Degene die 6 gooit mag de kleding aan trekken en plaats nemen aan het tafeltje. Hij mag de cake beginnen te snijden en een stukje eten. Ondertussen gaat echter de dobbelsteen verder en de volgende die 6 gooit mag het overnemen. D.w.z. de eerste “eter” doet de kleding weer uit en de volgende trekt het aan en begint te eten. De “eter” gaat door tot een ander weer 6 gooit. De “eter” die afvalt mag weer opnieuw meedoen met het gooien van de dobbelsteen.

Op een tafeltje voor in de klas liggen 6 pinda’s in de dop.

1 kind gaat even de gang op; dit kind wordt de “speler”. Met de groep kinderen wordt afgesproken welke pinda de “PIP” is. D.w.z. dit is de pinda die de “speler” niet mag aanraken. Doet hij dit wel dan roepen alle kinderen “PIP”

De “speler” mag weer binnenkomen en mag de pinda’s gaan pellen en opeten. Maar als hij “PIP” hoort roepen mag hij niet verder meer eten. Het leuke aan dit spel is de spanning bij elke volgende pinda en de “speler” schrikt meestal als de hele groep kinderen tegelijk “PIP” roept.

Let op:
- De spanning van het spel gaat verloren als je kinderen toestaat om de pinda’s op te rapen en te bewaren tot na het
spel; de spanning loopt namelijk niet op als de pinda’s snel achter elkaar opgeraapt kunnen worden.
- Je kunt de spanning opvoeren door met de groep kinderen de “speler” (die dan op de gang staat)
in te schatten: is hij iemand die gewoon het rijtje afgaat of is hij iemand die eerst
de grootste zal nemen of degen met de gekste vorm.
- Het spel kan ook gespeeld worden met tumtummetjes of zo, maar dan gaat er wat van de spanning verloren.
- met kleine kinderen oppassen voor verslikken; de volgende pinda mag pas gepakt als de vorige doorgeslikt is
i.v.m. de schrikreactie op “PIP”.

De kinderen zitten in een kring aan hun eigen tafel of als de groep klein genoeg is aan 1 grote tafel.

De spelleider geeft het commando:
- “Commando pippelen” met 2 vingers op de tafel trommelen
- “Commando plat” 2 handen plat op tafel
- “Commando bol” 2 handen bol op tafel houden
- “Commando hol” met 2 handen holletjes boven de tafel maken
- “pippelen”, “plat”, “bol” en “hol” zonder “Commando” ervoor is blijven zitten zoals je al zat

Degene die een fout maakt is af en krijgt een zwarte roetvlek op zijn voorhoofd. Met een kurk die beroet is in een kaarsvlam en daarna afgekoeld (al na enkele seconden). Het spel wordt doorgespeeld tot er 1 speler over is. Meestal lukt het wel om iedereen af te krijgen door het tempo op te voeren. Anders kun je ook stoppen bij de laatste 3.

Let op:
- Sommige kinderen zijn erg vies van zwarte vlekken; je kunt ze vaak overhalen om toch mee te doen,
door de vlek op hun hand te zetten i.p.v. op hun voorhoofd
- Denk niet te licht over het commando geven. Als een kind het doet is de vaart er meestal uit en daarmee de lol weg.
- Als het spel eenmaal goed loopt kun je afspreken dat je ze extra gaat foppen door het zelf als spelleider fout voor
te doen. Als je b.v. bij het commando “plat” i.p.v. het “commando plat” zelf wel de handen vol overtuiging
op tafel legt, dan trappen de meesten erin.

Een kind gaat met de rug naar de andere kinderen zitten. Eventueel een blinddoek om. De spelleider wijst aan welk kind mag zeggen “Wie ben ik?” het kind met de blinddoek raadt wie het is. Door toestemming te geven om de stem te verdraaien, wordt het spel moeilijker.

Dit spel is bijzonder geschikt om de rust weer even terug te krijgen.

Een kind gaat even de gang op. Een hard tikkende wekker of een zacht spelend klein radiootje verstoppen in de kamer Het kind komt terug en zoekt op het gehoor de wekker ( of radiootje). De groep kinderen moet heel stil zijn. Eventueel kun je met een stopwatch bijhouden hoelang de kinderen erover doen.

Dit spel is bijzonder geschikt om de rust weer even terug te krijgen. Je kunt dan voor een rustmoment 5 kinderen de beurt geven en voor een later rust moment weer 5.

Dit spel is niet leuk om met een te grote groep te spelen. Een groep van ongeveer 5 à 6 kinderen is genoeg.

Ieder kind krijgt  een kaartje met de cijfers 1 t/m 6 en een pen. Elk groepje heeft 1 dobbelsteen. De dobbelsteen gaat rond in het groepje. Elk kind noteert een kruisje achter het cijfer dat hij gooit. Gooit hij een getal dat hij al eerder gooide, dan komt er geen kruisje bij. Je kunt er met heel veel geluk dus 6 keer over doen eer je kaart vol is, maar het kan ook 20 keer duren. Degene die het eerst zijn kaart vol heeft roept “VOL” en is de winnaar.

Dit spel kun je spelen met een groep  van ongeveer 7 kinderen.

De kinderen zitten in een kring. 1 kind is de “speurder”. De speurder kijkt ongeveer 1 minuut de kring goed rond en neemt alle kinderen goed in zich op. Daarna gaat hij naar de gang of krijgt een blinddoek om. De kinderen in de kring mogen iets aan zichzelf veranderen. B.v. je trekt je trui achterstevoren aan, zet de bril van iemand anders op, ruilt van trui, doet je haar los of trek je linker schoen aan je rechtervoet en vice versa. Dit moet snel gebeuren, geef aan wanneer de tijd bijna om is. De blinddoek gaat af en de speurder mag alle veranderingen op sporen.

Let op: Kinderen willen de speurder te slim af zijn en gaan daardoor pietluttig-kleine veranderingen aanbrengen. Je kunt dit indammen door je waardering uit te spreken voor de leuke, goede vondsten en door je echt te houden aan de tijd van één minuut. Als de veranderingen niet snel gevonden worden, dan niet te lang daarbij stil blijven staan, maar doorgaan naar de volgende speler.

Aantal spelers: 2 tot 4

Een spelletje wat in de winter en in de zomer leuk is: leg een aantal ijsblokjes in een bakje met warm water, geef elk kind een rietje. Spreek af dat een blokje minimaal met 2 spelers moet worden opgetild door een blokje met het rietje ‘vast te zuigen’.

Kijk of alle blokjes ‘gered’ kunnen worden voordat ze gesmolten zijn, het ijs smelt snel! Als de kinderen samenwerken en het ijsblokje uit het water tillen en in een ander bakje doen zonder het aan te raken dan zijn ze geslaagd.

Zet even veel stoelen neer als er spelers zijn. Zet de muziek aan. De spelers lopen rond langs de stoelen. Wanneer de muziek stopt gaat iedereen op een stoel zitten. Nu is het nog eenvoudig… haal nu één stoel weg. In tegenstelling tot gewone stoelendans blijven alle spelers in het spel! De muziek gaat weer aan, als de muziek stopt moeten alle spelers op de stoelen gaan zitten (er zal dus één iemand op schoot moeten). Dan wordt er weer een stoel weggehaald, etc. De spelers moeten steeds met z’n allen op de nog beschikbare stoelen terecht zien te komen. Dat vraagt samenwerking en creativiteit! De muziek gaat pas weer aan als iedereen zit.

Een variant voor gevorderden: de voeten mogen de grond niet raken. En nog een variant: er mag niet gesproken worden! De spelleider let op de veiligheid.

Voor de kleintjes.

Een variatie op verstoppertje: De spelleider wijst één kind aan dat de moeder poes is. Dit kind gaat buiten gehoorsafstand staan. De spelleider wijst één kind aan dat het jonge poesje is. Alle anderen kiezen zelf welk dier zij willen zijn (géén poes dus). Dan verstopt iedereen zich en gaat moeder poes op zoek naar haar zoekgeraakte kleintje. Dit kleintje mag af en toe klaaglijk mauwen. Wanneer de moederpoes op haar zoektocht een ander dier vindt praten ze even en vraagt ze “ben jij mijn zoekgeraakte kind?” Het dier antwoord dan bijvoorbeeld: “nee, gekkie, ik ben een kikker!”. Poes vraagt het dier mee te helpen zoeken en hand in hand gaan ze verder.

Een variant is om een vader- en moederpoes te laten zoeken.