Spelletjes met papier en pen

Altijd leuk om spelletjes te doen waarbij je alleen papier en pen nodig hebt. Prettig omdat dat altijd voor handen is, omdat het eenvoudige spelletjes zijn die je in een mum van tijd kunt spelen zonder veel uitleg en vooral vanwege het plezier. Als je dus zit te wachten met je kind in een wachtkamer, in het openbaar vervoer, in een restaurant of tijdens een lange rit in een auto: papier en pen altijd bij de hand en er is geen vuiltje aan de lucht.

Neem ruitjespapier of maak zelf ruitjes door 10 horizontale en 10 verticale strepen te trekken. Neem twee verschillende kleuren pen of kleurpotlood, één voor elke speler. Zet om de beurt een streepje (van hoekje naar hoekje). Als je op die manier een vierkantje kunt maken is het een kamertje voor jou. Aanvankelijk is het nog mogelijk om de andere speler te hinderen (en gebeurt er dus nog niet zoveel), maar tegen het eind wordt het een kwestie van verdedigen of veroveren. Neem daarom niet een blad met al te veel hokjes.

Trek twee horizontale en twee verticale lijnen, zodat er negen hokjes ontstaan. Elke speler kiest een symbool (kruisje of rondje). Om de beurt je symbool plaatsen en proberen drie op een rij te krijgen.

Neem een toepasselijk woord, b.v. Kerstmis. Maak van de letters van dat woord zoveel mogelijk woorden. In dit geval mag de s twee keer gebruikt worden en de andere letters één keer. Leer je kind te denken in rijtjes woorden door het veranderen van één letter b.v. IK, MIK, TIK. En door van twee losse letters een tweeklank te maken zoals de IE. Niet toegestaan: uitroepen, namen, merknamen, afkortingen. Wel toegestaan: werkwoordsvormen, enkel- en meervouden.

De officiële speelwijze is dat de woorden die jij alleen hebt verzonnen 3 punten oplevert, de woorden die je met z’n tweeën hebt verzonnen slechts 2 punten oplevert en de woorden die je met z’n drieën hebt verzonnen zijn slechts 1 punt waard. Met kinderen die niet goed tegen hun verlies kunnen, kan je het competitie-element weglaten en vooral kijken naar wat je sámen hebt verzonnen.

De een tekent, de ander raadt.Je kunt het spel nog moeilijker maken door afspraken te maken over wát er getekend mag worden: nivo 1 voorwerp, nivo 2 beroep, nivo 3 werkwoord. Maar meestal is het spel op zich al moeilijk genoeg.

De een neemt iemand in gedachten en schrijft de persoon op. De ander stelt ja/nee-vragen om er achter te komen wie de speler in gedachten heeft.

b.v. iemand uit de familie, wie uit de sterrenwereld, welke voetballer, wie uit de vriendenkring of van school.

Vouw een tolletje op de volgende manier:

Geef aan de binnenkant 8 kleuren aan (of schrijf de naam van 8 kleuren op). Onder de kleuren kun je 8 eigenschappen of dierennamen o.i.d. schrijven.

Het spel gaat als volgt: de één heeft het tolletje en de ander moet een aantal noemen. Degene met het tolletje, beweegt zoveel keren het tolletje naar binnen en naar buiten. Is het aantal keren bereikt, dan kiest de andere persoon een kleur. Degene met het tolletje vouwt het tolletje open en kijkt wat er onder die kleur staat en zegt “Jij bent een ….. schat (of kattekop of sukkel, enz.)”.

Je kunt er voor kiezen positieve eigenschappen te gebruiken, maar kinderen vinden het ook erg leuk om op deze manier juist “kwetsende” dingen te zeggen tegen volwassenen.

Vouw een blad in drieën. Geef in het midden met 4 streepjes aan hoe groot het dier ongeveer wordt. Nummer 1 tekent de achterkant van het dier, nummer 2 het middenstuk en nummer 3 de voorkant, zonder dat je van elkaar mag zien wat de ander heeft getekend (dus vouw het blad steeds dicht). Spreek af dat het een viervoeter wordt. Het resultaat kan lachwekkend zijn, b.v. het achtereind van een paard, het lijs van een koe en de voorkant van een giraf.

Plak een stukje van een foto op een blad papier. Kies een stukje waarmee je alle kanten opkan/ wat nog van alles kan worden. Lat de ander de foto af tekenen. Laat na afloop zien wat de originele foto was en bedenk met elkaar hoe origineel het is, om er iets anders van gemaakt te hebben.

Ieder tekent om de beurt iets bij bij een gezamenlijke tekening. B.v de een begint met het tekenen van een voetbal. De ander kan er een speler bij tekenen, maar hij kan b.v. ook een gebroken ruit erbij tekenen. Zo krijg je een heel ander verhaal dan de ander waarschijnlijk bedoelde. Je kunt ook dwaze dingen toevoegen; in dit geval kan je er b.v. een goochelaar bijtekenen die met zijn googhelstok de ruit repareert. De volgende kan er een taart bij tekenen om te vieren dat de ruit heel is en er weer gevoetbald kan worden zonder boze gezichten.

De een tekent en de ander voorziet het tijdens het tekenen van een verhaal. De tekenaar moet zich steeds aanpassen aan wat de ander verzint.