Kaartspelletjes

Met één of twee spellen kaarten in je tas ( neemt haast geen ruimte in) kun je voor de kinderen wachttijd veranderen in aangename speeltijd. Soms moet je b.v. in een restaurant zo lang wachten dat het voor ongedurige kinderen niet leuk meer is. En weg is de gezelligheid van het uit eten-gaan. Of je maakt een uitstapje en de kinderen vinden de treinreis wel even leuk, maar het blijkt toch te lang voor ze te zijn. Weg is dan het plezier van samen onderweg. Maar met een spel kaarten kan je dan de sfeer redden. Maak een uitdraai van deze spelletjes en bewaar het bij het kaartspel.

Start: De kaarten worden geschud en volledig opgedeeld. Elk kind heeft zijn stapeltje kaarten blind voor zich liggen.

Het spel: De jongste mag beginnen.Hij draait een kaart open en legt die naast zijn eigen stapel.Daarna het kind links van hem en zo verder. Als er bij 2 kinderen eenzelfde kaart open ligt, b.v. bij 2 kinderen een koning of een negen of een aas, dan moeten alle kinderen hierop bedacht zijn en heel rustig de duim uitgestoken op de rand van de tafel leggen. De laatste die door heeft dat er 2 gelijke kaarten liggen en dus het laatste zijn duim op de tafelrand heeft neergelegd scoort.Scoren wil zeggen dat je een letter op je scorekaart moet invullen: eerst een E, als je weer een keer af bent een Z, vervolgens een E en als laatste letter een L.Als het woord ezel bij iemand compleet is, dan moet die persoon op tafel gaan staan en 3 keer “iaaah”roepen.

Start: De kaarten worden geschut.De kaarten worden zo gedeeld, dat elk kind een even aantal kaarten heeft: ongeveer 10. De overige kaarten doen niet mee.Ieder kind heeft zijn stapel kaarten blind voor zich liggen.

Het spel: Het jongste kind begint.Hij legt de bovenste kaart van zijn stapel open in het midden op tafel, zonder zelf eerst te kijken. Elke speler doet hetzelfde, de een na de ander (liefst met een beetje tempo erin). Een aantal kaarten vraagt om een speciale actie:
Bij een AAS legt ieder zijn hand op de kaart in het midden van de tafel. Er komen dus allemaal handen op elkaar.
Bij een BOER zegt iedereen “Hoi Boer”. Bij een HEER moet iedereen salueren.
Bij een TIEN moet iedereen op zijn stoel gaan staan.
Bij een ACHT moet iedereen een arm om de schouder van zijn buurman slaan.
Degene die het laatst zijn hand op de anderen legt, of het laatste is met “Hoi Boer” zeggen of het laatst is met salueren enz. moet alle kaarten nemen en voegt ze aan zijn eigen blinde stapel toe, onderop. Is iemand al zijn kaarten van zijn stapel kwijt (die ook erg hoog geworden kan zijn tijdens het spel) dan is hij de winnaar.

Aanpassing: Om het spel uit te leggen kun je beter niet beginnen met 5 kaarten met speciale Actie, maar b.v. met 2 en dan later uitbreiden. Er kan natuurlijk heel gemakkelijk onenigheid ontstaan over wie het laatst was. De kinderen kunnen uit hun midden per ronde een scheidsrechter kiezen, aan wie iedereen dan ook moet gehoorzamen zonder discussie.

Start: De kaarten worden geschud.Alle kaarten worden opgedeeld.Ieder kind heeft zijn stapel kaarten blind voor zich liggen.

Het spel: Het jongste kind begint.Hij legt de bovenste kaart van zijn stapel open naast zijn eigen stapeltje. Als de kaart een AAS is mag hij die midden op tafel leggen. Het volgende kind draait zijn kaart open. Als het een kaart is die volgt op de AAS, dan mag hij die erop leggen bijvoorbeeld: er ligt een klaver AAS, dan mag klaver Koning erop gelegd worden enz. Kan de kaart niet bijgelegd worden dan komt hij opengedraaid naast zijn eigen stapel. Wordt er door iemand weer een AAS gedraaid dan mag die ook midden op tafel. Dan zijn er twee mogelijkheden om een passende kaart te trekken.Als de stapel met blinde kaarten van iedereen op is, dan wordt de stapel met open kaarten weer omgedraaid en wordt er verder gespeeld tot iemand al zijn kaarten kwijt is. Winnaar is dus degene die het eerst al zijn kaarten heeft kunnen wegleggen.

Start: De kaarten worden geschud.Alle kaarten worden opgedeeld. Ieder kind heeft zijn stapel kaarten blind voor zich liggen.

Het spel: Alle spelers draaien tegelijk een kaart van de eigen stapel open en legt die naast zijn stapel (dit moet wel echt tegelijk gebeuren en niet eerst de eigen kaart bekijken voor het omdraaien). Als een kind ziet dat een ander dezelfde kaart open heeft liggen als hij zelf (b.v. allebei een TIEN  of allebei een KONING of allebei een AAS of een DRIE) dan roept hij “Snap”. Degene die het eerst “Snap” roept mag de open kaart (of later open kaarten) hebben. Die moet hij dan onderop zijn eigen blind stapel leggen te samen met zijn eigen open kaarten. Alleen de twee “Snapkaarten” legt hij apart.Als iemand ten onrechte “Snap”heeft geroepen , dan moet hij zijn open stapeltje in het midden op tafel leggen. Dat is de “Snip”. Draait iemand dezelfde kaart als de kaart die op de “Snipplaats” ligt, dan roept hij “Snip” en mag het stapeltje van het midden van de tafel onderop zijn blinde stapel doen tezamen met zijn eigen open kaarten.Wie onterecht “Snip” roept legt zijn open kaarten ook in het midden op tafel.Het kan zijn dat je door het roepen van “Snip” of “Snap”heel veel kaarten incasseert. Wie geen kaarten meer heeft, kan niet meer verder spelen. Aan het eind wordt er gekeken wie de meeste paren “Snapkaarten” heeft.

Start: de spelregels moeten echt even worden afgesproken, omdat dit spel bij elk kind wel bekend is maar iedereen andere regels hanteert. Iedere speler krijgt 8 kaarten, die hij zodanig vasthoudt dat andere spelers ze niet kunnen zien.Voor kinderen die geen goede motoriek hebben kun je kaartenstandaards gebruiken of een spellendoos omkeren en de kaarten tussen de doos en het deksel neerzetten.

Het spel:De overgebleven kaarten komen in een blinde stapel midden op tafel te liggen.De bovenste kaart wordt opengedraaid en naast de blinde stapel gelegd. De speler die gedeeld heeft begint. De eerste speler bekijkt de openliggende kaart en gooit een nieuwe kaart op: dit mag een kaart van dezelfde “kleur” zijn ( klaver, harten, schoppen of ruiten) óf hetzelfde aantal/plaatje (Aas, Boer, 5 enz). Heeft de speler helemaal geen kaart die er bij past, dan pakt hij een kaart van de stapel. Die mag hij alsnog gebruiken. Er hoeft maar één kaart afgenomen te worden. is de kaart niet bruikbaar dan gaat hij bij de andere kaarten in de hand en is de beurt voorbij. Dan is de volgende speler aan de beurt en zo verder.
Een aantal kaarten hebben een speciale betekenis:
8 = wacht: de volgende speler moet een beurt over slaan.
2 = 2 eten én 1 beurt overslaan: de volgende speler moet 2 kaarten van de stapel nemen en mag pas de volgende beurt weer meedoen.
Joker = 5 eten én 1 beurt overslaan: de volgende speler moet 5 kaarten van de stapel nemen en mag pas de volgende beurt weer meedoen.
Boer = je mag van kleur veranderen: de speler die de boer opgooit mag zeggen of het klaver, schoppen, harten of ruiten wordt. De gebruikte Boer hoeft niet dezelfde “kleur” te hebben als de kaart van de vorige speler.
Aas = er wordt niet meer gespeeld in de volgorde met de klok mee, maar andersom of bij een later Aas weer met de klok mee.

Start: De kaarten worden geschud.De kaarten worden zo gedeeld, dat elk kind een even aantal kaarten heeft:Ongeveer 10. De overige kaarten doen niet mee.Ieder kind heeft zijn stapel kaarten blind voor zich liggen. Ieder kind moet nu een geluid van een dier verzinnen voor zichzelf.Deze dieren-geluiden moeten een paar maal herhaald worden, zodat iedereen de namen goed kent. Het gaat er bij dit spel om, om zoveel mogelijk kaarten te bemachtigen.

Het spel: Het jongste kind begint .Hij legt de bovenste kaart van zijn stapel open naast zijn eigen stapel zonder zelf eerst te kijken. Elke speler doet hetzelfde, de een na de ander (liefst met een beetje tempo erin). Verschijnen er 2 dezelfde kaarten (b.v. 2 boeren of 2 zevens), dan maken de 2 spelers die dezelfde kaart hebben het dierengeluid van de andere speler. Is een van de twee eerder met het dierengeluid van de ander, dan mag hij het open stapeltje van de ander hebben. Hij legt die op de open stapel van zichzelf (hij kan ze dus weer kwijt raken). Zijn beiden gelijk met het dierengeluid van de ander, dan worden er gaan kaarten weggegeven. Als ieder zijn 10 kaarten heeft gespeeld, dan telt ieder de kaarten van zijn open stapel. Degene met de meeste kaarten heeft gewonnen.

Start: Zoek de 32 benodigde kaarten bij elkaar. Schud de kaarten. De deler geeft elke speler blind 3 kaarten en hij legt 3 kaarten blind op tafel. De overgebleven kaarten worden niet gebruikt. Elke speler houdt de kaarten zo vast dat de andere spelers ze niet kunnen zien.

Het spel (de kaarten hebben bij dit spel bepaalde waarden):

Kaart Waarde
Aas 11 punten
Koning 10 punten
Vrouw 10 punten
Boer 10 punten
Tien 10 punten
Negen 9 punten
Acht 8 punten
Zeven 7 punten

De speler die heeft gedeeld heeft een voordeeltje: hij bekijkt zijn kaarten en mag kiezen of hij die kaarten houdt of dat hij de 3 blinde kaarten op tafel neemt. Hij mag ze dus niet eerst bekijken.
Daarna worden de 3 kaarten van tafel open gelegd. Bij elke beurt bekijkt de speler die aan de beurt is zijn kaarten. Hij mag bij elke beurt één kaart ruilen voor een kaart van de tafel. De spelers proberen van één kleur een zo hoog mogelijke waarde te krijgen. Of 3 kaarten van dezelfde waarde (b.v. 3 boeren of 3 zevens); dat telt voor 30 ½. Heeft iemand het hoogst mogelijke aantal, d.w.z. een aas en 2 andere kaarten die 10 punten waard zijn (allemaal harten of allemaal klaver enz) dan legt hij ze op tafel en zegt “één-en-dertig”. De speler heeft dan gewonnen.
Het is mogelijk dat er geen één-en-dertig in het spel zit (niet alle kaarten doen altijd mee). Als één van de spelers besluit dat voor hem verder door blijven ruilen geen zin heeft, kan hij zeggen “Ik pas”, d.w.z. dat hij niet meer ruilt en dat de andere spelers nog één kans krijgen om te ruilen. Als dat is gebeurd worden de kaarten opengelegd en gekeken wie de meeste punten heeft.

spelletjes voor onderweg