Bosspelletjes

De rust van het bos doet zowel volwassenen als kinderen goed. Maar kinderen kijken anders dan volwassenen en vinden het daarom saai. Voor een kind lijken alle bomen en bospaadjes op elkaar. Met wat bosspelletjes, waarbij je vaak bijna niets nodig hebt is het verblijf in het bos opeens wat anders en wennen je kinderen aan het zijn in de natuur. Het geeft hen rust en later als ze volwassen zijn, zullen ze nog terugdenken aan deze ervaring en de natuur waarderen.

Doe het kind een blinddoek om en zet hem/haar voor een boom. Laat het kind de boom goed bevoelen. Stel het kind vragen als “Zitten er lage takken aan deze boom?”, “Is de bast erg ruw of glad?”, hoe dik is deze boom?”, voel je de wortels boven de grond of niet?”, “Zit er mos op deze boom?”. Leidt het kind met blinddoek weg van de boom via wat omleiding, doe de blinddoek af en laat het kind de boom terugvinden. Help het kind met hem/haar dezelfde vragen opnieuw te stellen.

Als uw kind iets in het bos vindt b.v. een veer of een vreemd gevormde tak, laat het die dan ergens verstoppen en ga hem zoeken. Spreek wel af hoe groot het gebied is waar het verstopt mag worden b.v. tot het pad en die greppel en die bomen.

U noemt een letter. De kinderen gaan dingen in het bos zoeken die met die letter beginnen en brengen die bij u zonder dat de anderen het zien. B.v. “B” een blad, beukennootje, bast van een boom of “V” een veer, varen, vuilnis.

Het kind zoekt zelf een boom uit en neemt de boom en de omgeving goed in zich op. U kunt het kind helpen door weer vragen te stellen. Het kind mag de boom markeren door er b.v. iets bij te leggen. Het kind krijgt een blinddoek om en wordt naar een afstand van 20 meter gebracht. Vanaf dat punt moet het kind met de blinddoek om de zelfgekozen boom opzoeken.

U heeft een plastic zak bij u. Daarin verzamelt hij dingen die in ’t bos te vinden zijn, zoals een dennenappel, kastanje, eikel, beukennootje, bosbes, varen, kevertje, takje, veer, mos, bloem, blad, paddenstoel, dopje van een fles/pakje van drinken/ papiertje/en ander afval. (Als het kind jong is zijn 5 dingen voldoende, bij een ouder kind minimaal 10 dingen). Spreid de dingen uit op de plastic zak. Laat het kind zich omdraaien. U neemt één ding weg. ’t Kind draait zich weer om en probeert te zien wat er ontbreekt.

De kinderen staan in een kring. U in het midden. U heeft een grote dennenappel in uw hand. U gooit de dennenappel naar één van de kinderen en roept daarbij één van de elementen: lucht, aarde, water. Het kind dat de dennenappel krijgt toegeworpen moet een dier noemen dat thuis hoort in het element dat u heeft genoemd. Dus een dier dat hoort in de lucht, op de aarde of in het water. Als het erg goed gaat en er al veel dieren zijn genoemd kunt u instellen dat het kind daarvoor maar 5 tellen de tijd krijgt.

Zoek een dikke tak en verzamel 5 grote dennenappels. Speel slagbal: trek een streep op het pad waar het kind moet staan, gooi zelf de dennenappel aan, teken met een streep aan waar de verste dennenappel kwam. Zet er de beginletter van de naam bij. Daarna mag de volgende.

U zoekt een zandpad waarin u strepen kunt tekenen. Net zoveel strepen als er kinderen zijn. De kinderen krijgen de opdracht om in 5 minuten een “ketting” te maken in de volgorde: eikel-dennenappel-blad- eikel-dennenappel-blad-enz.

Na 5 minuten worden de kettingen vergeleken. Welke kettingen zijn helemaal zonder fouten? Welke ketting is ’t langste?

U tekent met een tak in de aarde/zand een groot hoofd met een grote, enge mond vol tanden. U en de kinderen staan om het hoofd van de reus met de armen over elkaar. Iedereen probeert de ander in het “Hoofd” te duwen. Degene die erin komt is opgegeten en is af.

Zoek een stuk bos met voldoende bomen en liefst ook wat heuveltjes. En bespreek tot waar het verstopveld reikt. En u wijst aan wat de “Bute-paal”(“Bute-boom”) is. U bent de zoeker. De kinderen verstoppen zich in 30 tellen. U zoekt hen en als u er één heeft gezien en er zeker van bent wie het is loopt u terug naar de “bute-paal”, raakt die aan en roept b.v “Michel gebuut”. Maar tegelijkertijd mogen de verstopten zich ook proberen vrij te buten. Als u verder van de “Bute-paal” verwijderd bent kunnen zij naar de “Bute-paal”rennen en “Buut-vrij” roepen bij het aantikken. Het is spannend als de zoeker en de ander om het hardst rennen wie het eerste bij de paal is. De zoeker kan dóén of hij ergens naar toe loopt, maar tegelijk in de gaten houden of er iemand uit zijn verstopplek komt.

Degene die het eerst gebuut werd door de zoeker is de volgende zoeker.

Een kind krijgt een blinddoek voor. Voor zijn voeten ligt iets wat jullie in het bos hebben gevonden b.v. een veer. De anderen gaan op ongeveer 8 meter afstand staan. En ze mogen om de beurt naar de veer sluipen om die te pakken. Dat is moeilijk want als er ook maar een takje onder de voeten kraakt, zal de schatbewaker dat horen en hem aanwijzen. Dan is hij af. Komt hij zonder gehoord te worden tot de veer dan pakt hij die en mag hij de schatbewaker worden.

U loopt voorop. Een kind met blinddoek volgt u, met één hand op de schouder. Als dit erg goed gaat dan zonder hand op de schouder en dus geheel op gehoor. Daarna wisselen van leider.

Het kind krijgt de kaartjes 1 t/m 5 om die neer te leggen bij 5 bomen die verschillen in dikte, zelf uitgekozen. Nummer 1 de dunste, nummer 5 de dikste.
Daarna wordt gecheckt of het klopt. Dit kan met een meegebrachte naai-centimeter, een touwtje of met een kaalgeplukte stengel.

U gaat als boom staan b.v. voeten tegen elkaar, één voet scheef, armen omhoog als takken of naar opzij, mond open als holletje. De kinderen kijken goed hoe u eruit ziet. Daarna draaien de kinderen zich om en verandert u één ding, b.v. één arm wat lager. De kinderen mogen weer kijken en raden wat er aan de boom veranderd is.

Met een tak tekent het kind geblinddoekt een paddenstoel in het zand. Lijkt het erop of helemaal niet?

Twee personen zijn geblinddoekt. Ze staan op een afstand van ongeveer 8 meter van elkaar. Ieder heeft een takje in zijn hand. Op een teken proberen ze op gehoor (b.v. het geluid van brekende takjes of ritselende blaadjes, maar zonder te praten) naar elkaar toe te lopen. Als ze elkaar treffen proberen ze de ander de tak over te geven.